Een getuigenis dat meegroeit met de diensten · over de reis en het Woord
Een getuigenis over het pad en over het Woord. Niet over een mens, maar over de weg die hij ging en over Hem die hem droeg. De Schrift is echt; de duiding is persoonlijk. Het groeit met de diensten mee, dag na dag.
1 Er was een man die God niet vond in één enkel uur, maar langs een lange weg, dwars door de jaren heen. 2 Hij was grootgebracht zonder God, en niemand had hem leren geloven; en toch rezen in hem, van jongs af, de oude vragen van de mens: wat is de mens, en wie ben ik; vanwaar kom ik, en waarheen ga ik; en is er een God? 3 En er kwam een uur dat iets vreemds voor hem brandde en niet werd verteerd, beangstigend en niet goed; en toch wendde hij zich af om die grote verschijning te zien, en hij begreep dat er meer was dan het zichtbare; en van toen af zocht hij werkelijk. 4 En hij zocht langs vele wegen, de ene na de andere, in oude wijsheid en in nieuwe; en hij kwam tot aan de drempel van een ander geloof, en bijna volgde hij een valse profeet; maar nergens vond hij rust. 5 Maar zie, terwijl hij zocht, werd hij ook gezocht; want zo staat geschreven: Ik ben gevonden door wie Mij niet zochten; zie Mij, zie Mij. 6 Want van kindsbeen af was hij geboeid door het Boek; en op een reis naar een ver land, over de grote wateren, lag er, als bij toeval, een testament van het Nieuwe naast zijn bed; en hij las erin. 7 En nog voor hij bij de Naam was geroepen, vastte hij al van het ene feest tot het andere, en hij maakte het stil om zich heen, en hij las, uit een honger die hij nog niet kon noemen. 8 En van alle stemmen die hij gehoord had, was er Eén die hem bij name riep, de stem van de goede Herder; want Zijn schapen kennen Zijn stem, en een vreemde zullen zij niet volgen; en het was de stem van Jezus. 9 En op de dag van de Opstanding, op de leeftijd waarop ook de Heer Zijn weg voltooide, beleed hij met zijn mond en geloofde hij met zijn hart, en hij sprak het hardop uit, en van toen af droeg hij de naam van Christus openlijk. 10 En dit geloof was niet vluchtig, maar het zou het anker blijken toen al het andere wegviel. 11 God is goed.
1 Hij had altijd, naar eer en geweten, een goed mens willen zijn, en hij nam veel op zich; maar waartegen meet een mens het goede af? Dat wist hij nog niet; en pas later bleek het de Christus te zijn, want niemand is goed dan Eén, namelijk God. 2 En het leven sloeg hem neer, meer dan eens; want de afgrond riep tot de afgrond, en driemaal riep de diepte hem. 3 Eens, toen in zijn jonge jaren de grond onder hem wegzonk, en hij werd meegesleurd in de gewoonten van hen om hem heen. 4 Eens, toen aanklacht en verlies over hem kwamen als een vloed, en men hem betwistte wat hem dierbaar was. 5 En eens, het diepst, toen hij werd weggeworpen, zoals de zoon die door zijn eigen broers werd verkocht en in de put geworpen; en hij verloor in korte tijd wat hij in jaren had opgebouwd, zoals de man uit het land Uz; en men loog over hem, en hij kwam achter de tralies, hoewel zijn handen schoon waren. 6 Zijn huis stond in het donker, zijn eer was hem ontnomen, en hij was alleen. 7 En zijn kussen was zijn eigen vuist, gelijk de man die in de woestijn een steen tot hoofdkussen nam. 8 En die nacht werd hij uitgestort als water; hij werd geledigd, en niets bleef in hem dan bitterheid, de alsem en de gal. 9 En tóch was de Heer aan die plaats, en hij wist het niet. 10 En juist die diepste val werd het uur van inzicht; want eerst moest hij loslaten wat hij altijd over zichzelf had geloofd, oude overtuigingen die hem niet meer droegen. 11 Want onder alles was er altijd een drijvende kracht geweest, een hand die hem droeg; en door de slagen heen begon hij die te herkennen, want het is goed dat een mens verdrukt is geweest; en het vallen opende hem de ogen. 12 En wie zijn ogen geopend heeft, houdt ze nog niet altijd op de juiste plek; bijna nooit, zo zag hij achteraf. 13 En driemaal koos hij het leven; want zo staat geschreven: het leven en de dood heb Ik u voorgesteld; kies dan het leven. 14 Want zie, hij werd gedragen; het Licht schijnt in de duisternis, en de duisternis heeft het niet begrepen. 15 En hij zág het. En waar een mens getuige van is, daarvan mag hij getuigen. 16 God is goed.
1 En zo gebeurde het, op de eerste dag van de week, in de eerste week dat hij was teruggekeerd naar zijn eigen land, onschuldig, uit de gevangenschap, dat hij zich keerde tot het huis van God; want hij was zoekende, en hij zocht op de juiste plek. 2 En in die dienst droeg een broeder uit een ver volk een groot kruis, en hij liep mee in de stoet; gelijk de man van Cyrene eens het kruis achter de Heer droeg. 3 En na de dienst sprak hij die broeder, en hij vertelde hem wat hem was overkomen; en de broeder hoorde hem aan, en nam hem mee. 4 En zij riepen een vader aan, over een grote afstand, uit een ver land; en die vader bad voor hem, vurig, met vuur en met de naam van Jezus; en hij verstond er geen woord van, en toch voelde hij het door zijn lichaam gaan. 5 En zij voegden hem toe aan de hunnen, en hij begon mee te doen, mondjesmaat; en de vader gaf hem een opdracht: lees elke dag; gelukzalig is de man die zijn vreugde vindt in de wet van de Heer. 6 En de zusters deden hun best om te vertalen, met warmte en met vriendelijkheid, zodat de vreemdeling het kon verstaan. 7 Maar hij was eerst ondankbaar, en hij deed zijn best niet, terwijl zij het hunne deden; hij nam het voor lief, en hij begreep de vader niet. 8 Daarom moest de vader hem roepen, en hem aanspreken; en hij sprak hem aan, niet in de taal van de vader, en niet in de zijne, maar in een derde: de taal die de volken samen spreken. 9 En al kwam de stem van een ver land, aan de andere kant der aarde, toch bereikte het woord hem als van dichtbij; want tot in de uithoeken der zee reikt Zijn hand. En het was in de dagen van het Pinksterfeest, toen hij zwak was en aangevochten. 10 En hij luisterde, want het resoneerde; want diep van binnen wilde hij toch een volgeling van Christus zijn, hij wilde Jezus kennen, hij wilde tot God komen. 11 En een vraag rees in hem op: waarom maakt u geen tijd? En hij zag zijn uitvluchten, het werk, het huis, de beslommeringen; maar voor de ijdelheden in zijn hand was altijd tijd geweest. 12 En de vader riep, en hij hoorde, zoals de jonge Samuël in de nacht leerde zeggen: spreek, Heer, want uw dienaar hoort. 13 En wat hij in zichzelf zag, was niet schoon; maar hij nam een besluit, en hij keerde zich om, en hij maakte tijd, elke dag, en hij werd opgenomen onder hen, als een zoon onder broeders. 14 God is goed.
1 En nu hij zich had omgekeerd, wilde hij meedoen, werkelijk meedoen; maar hij verstond de taal niet, en het bedroefde hem dat hij niet kon volgen. 2 En hij verlangde ernaar te verstaan; en uit dat verlangen, om te verstaan en gehoord te worden, ontstond het werk. 3 Want zo staat geschreven: toen de dag van het Pinksterfeest was aangebroken, werden zij allen vervuld met de Heilige Geest, en begonnen te spreken in andere talen. 4 En de menigte stroomde samen en werd verbijsterd, want iedereen hoorde hen spreken in zijn eigen taal. 5 En lang had niemand werkelijk verstaan waartoe dat feest diende; maar zie, hiertoe diende het: dat het Woord verstaan zou worden, door ieder, in zijn eigen taal. 6 En wat hij maakte, maakte hij eerst voor zichzelf, omdat hij zocht; maar hij maakte het zó dat het voor allen open lag, als een gift, opdat die stem verstaan zou worden tot ver buiten haar eigen taal. 7 Zo werd, in de dagen van het feest, zowel zijn verstaan geboren als het werk; en het feest was niet langer een raadsel. 8 God is goed.
1 En het werk dat hij maakte opdat anderen zouden verstaan, deed hem ook zelf dieper verstaan; en hij keerde terug naar de Schrift, en las haar opnieuw; en zij gaf hem duidelijkheid en rust, en de zekerheid van de Heer; want groot is de vrede van wie Zijn wet bemint. 2 Elke morgen opende hij de Psalm die de vader hem had gegeven, en hij overdacht haar dag en nacht. 3 En elke avond boog hij zich met de zijnen in het gebed, in een taal die de zijne niet was; en hij bleef, ook als hij niet verstond. 4 Hij dompelde zich onder in God, op al zijn wegen: in het Woord, in het gebed, in het zout en het water en de olie die zij hadden gewijd. 5 En in zijn ijver goot hij eens te veel van de olie uit over zijn hoofd, en zij liep over hem neer, en zijn kruin werd warm, alsof iets van het vuur hem had aangeraakt; want zijn hoofd was gezalfd, en zijn beker liep over. 6 Want het Woord van God is levend en krachtig, en scherper dan elk tweesnijdend zwaard. 7 En het sneed in hem, en het legde bloot wat ziek was, en het deed hem pijn, en het genas hem. 8 En langzaam, dag na dag, werd hij wakker. 9 God is goed.
1 Want tot dan toe was God voor hem slechts een gedachte geweest, een hoop: een vertrouwen zonder gevoel, een naam die hij met zijn verstand beleed. 2 Maar er kwam een dag dat hij de tegenwoordigheid van de Heer voelde, en de hoop werd vervuld; want wanneer het verlangen komt, is het een boom des levens; en hij gaf zich over. 3 Want er staat geschreven: kom dichter bij God, en Hij zal dichter bij u komen. 4 En in diezelfde dagen viel ook een oude leugen van hem af: dat alles altijd aan hém had gelegen, dat het zijne was om te dragen. 5 Want hij zag de lijn: hoe het dragen van geslacht op geslacht was doorgegeven, van hen die vóór hem droegen tot in zijn eigen handen. 6 En hij leerde dat de vrede die hij buiten zich had gezocht, allang binnen in hem was; want het Koninkrijk van God is binnen in u. 7 En hij bleef een mens, en de twijfel, de vijand, lag voortdurend op de loer. 8 Maar hij hield zijn ogen op de Heer gericht en nergens anders, op Jezus, de aanvoerder en voltooier van het geloof. 9 En alle tijd die hij niet aan het aardse gaf, en dat beperkte hij, gaf hij aan God. 10 God is goed.
1 Nu staat geschreven: en God zag het licht, dat het goed was. 2 En zo gebeurde het, op de dag dat in zijn huis het licht gevierd werd, dat ook voor hem het licht opging. 3 Want hem was een kind geschonken, een kind van het licht; een verrassing, en toch had God gesproken en de mens ontvangen; want de kinderen zijn een erfdeel van de Heer, en de vrucht van de schoot een beloning. 4 Zij was verwacht in de dagen van het langste licht, wanneer de zon het hoogst staat en de nacht het kortst; en hij ontving wat hem in de schoot werd gelegd, en zie, het was goed. 5 En haar naam gaf hij haar in dagen dat een land zijn licht had verloren, en de duisternis over het volk lag; want het volk dat in duisternis wandelt, zal een groot licht zien; en hij dacht: laat ik de wereld het licht schenken. En hij noemde haar naar het licht. 6 Want op die dag kon hij voor het eerst de woorden van de prediking zelf meelezen, in een taal die hij verstond. 7 En hij vond het zuiver, en vurig: vuur, en de naam van Jezus Christus, en het breken van elke keten. 8 En hij schrok, want het was alsof de woorden over hem gingen, alsof ze rechtstreeks aan hem waren gericht. 9 En in het vuur van het gebed klonk de roep om losgemaakt te worden, zodat elke keten zou breken; en in zijn oren klonk die roep als de naam van het licht, en het was hem alsof hij werd geroepen. Letterlijk. 10 En zie, die naam is een oude naam: de plaats die Jakob Bethel noemde, toen hij zei: dit is niets anders dan het huis van God, en dit is de poort van de hemel; en vroeger heette die plaats Luz. 11 En de vader riep hem aan, over de afstand heen; en uit een grote groep die luisterde, koos hij hém, en vroeg of het wel ging met hem, alsof hij het wist. 12 En het woord "toeval" verdween, naar hij gelooft, voorgoed. 13 En op diezelfde dag legde hij neer wat hij niet kon dragen, en gaf het in handen die het wél konden dragen. 14 God is goed.
1 En twee dagen later begon een dienst, en het eerste woord ervan was het getuigenis van de vertaling, en van God die levens herstelt. 2 De gemeente las mee, en harten veranderden, en mensen die hij niet kende voelden herstel. 3 En de vader erkende het werk: dat niemand het meer hoefde te vertalen, en dat zij die geen Urdu verstonden het tóch lazen. 4 En hij keek de man aan en zei: u verstaat mijn stem nog steeds. En als u mijn stem zó ontvangt, waarom zou God u dan niet herstellen? 5 Zo werd hij, die enkel zocht te verstaan, zelf verstaan. 6 En de prediking ging over de zalving, die elk juk verbreekt: het juk zal verbroken worden vanwege de Gezalfde. 7 En over de wijnstok: Ik ben de wijnstok, en u bent de ranken; zonder Mij kunt u niets doen. 8 En over de geestelijke vader: een levende man van God, dien men ontmoeten kan; en al was hij in een ander land, men kon naar hem toe gaan, en hij legde de handen op en noemde hem zijn zoon. 9 God is goed.
1 En in de man werd een verlangen geboren om die vader te ontmoeten van aangezicht tot aangezicht, want die had hem geroepen over de afstand heen, en die had hem aangeraakt. 2 En hij vroeg hem: neem mij eens mee naar uw land; ik wil het volk zien, ik wil de gezichten zien. 3 En hij zag het als een roep, en hij wilde gehoorzaam zijn; en hij zei, net als de profeet: hier ben ik, zend mij. 4 Hij hoefde niet te weten wat hij ervan verwachtte; als hij moest gaan, zou hij gaan, al was het naar een ver en gevaarlijk land. 5 En hij dacht aan een volk dat onderdrukt werd om de naam die hij nu zelf beleed, en hij verlangde ernaar hun tot zegen te zijn, met wat hij had. 6 Maar hij nam het dag voor dag; want zo staat geschreven: elke morgen nieuw; groot is uw trouw. 7 En hij wist niet wanneer, en niet hoe; maar hij vertrouwde dat God, die hem geroepen had, hem ook zou zenden. 8 God is goed.
1 Want zie, dit is het wonder: wat hij voor zichzelf zocht, vond hemzelf. 2 Wat hij maakte opdat het Woord verstaan zou worden, kwam tot hem terug; en zoeken werd gevonden worden, en dienen werd genezing. 3 Zoals de zoon die in de put werd geworpen, en die later velen behield, en zei: u hebt kwaad tegen mij bedacht, maar God heeft het ten goede gedacht. 4 En de gift die hij maakte, ook voor anderen, droeg hém terug naar huis. 5 Want hij had gegeven terwijl hij zelf gebroken was, en ontvangen terwijl hij er niet om vroeg; en zo leerde hij dat genade niet wordt verdiend, maar gekregen. 6 Dit is genade die niet wacht tot een mens heel is. 7 God is goed.
Hier groeit de weg verder, dienst na dienst, dag na dag. Korte verzen, dezelfde stem, telkens één geverifieerd Woord. Want het pad is nog niet af.
1 En er kwam een dag dat de oude angst terugkeerde. 2 Want hij zag de zijnen van verre, en het ging hun niet goed, en hij kon niet bij hen zijn; en zijn hart brak. 3 En hij viel terug in het vlees, en hij was bang, en het vertrouwen ontzonk hem. 4 Maar zie, ditmaal zag hij zichzelf vallen; en dat was nieuw. 5 En een woord kwam tot hem, hetzelfde woord dat eens tot een volk kwam op de dag van de grote menigte: vrees niet, want de strijd is niet van u, maar van God; stel u op, sta stil, en zie het heil van de Heer. 6 En de vader zei hem: u hoeft niets te doen; dompel u onder in God. En aangaande haar die was heengegaan: keert zij terug naar Gods wil, dan zal zij komen; en zo niet, dan zal zij gaan; maak u geen zorgen, want Gods tijd is altijd de beste. 7 En hij legde haar opnieuw neer in handen die dragen kunnen. 8 God is goed.
9 En er kwam een andere dag dat hij de vader vroeg: herinnert u zich dat u mij riep? 10 En de vader zei: ja; en het was op de dag van het Pinksterfeest dat hij voor hem had gebeden, toen hij op zijn zwakst was. 11 En de vader sprak een zegen: dit is nog maar het begin; dag voor dag zal de Heer u veranderen, en u zult de grote werken van God zien. 12 Want Hij is een God die de doden levend maakt, die de adem in het levenloze brengt, zodat de dorre beenderen weer gaan leven. 13 En de vader zei: u zult staan in het huis van God, in Zijn tegenwoordigheid, en u zult een groot getuigenis vertellen. 14 God is goed.
1 En de pijn was nog niet geweken, en de wonden lagen nog open, en het wachten duurde voort. 2 En hij die was wakker geworden in de kamer die hij zelf had gebouwd, had het geleerd: wat een mens toeval noemt, is het niet. 3 Hij was geen kalme getuige, maar een zoon van de donder; en toch getuigde hij van niets dan wat hij had gezien. 4 En wat hij had gezien was dit: proef en zie dat de Heer goed is; gezegend is de man die op Hem vertrouwt; en het Licht schijnt in de duisternis, en de duisternis heeft het niet begrepen. 5 En na dit alles besluit hij niets over wat komen zal; want het einde is niet aan hem om te schrijven, en hij vult niet in wat in Gods hand ligt. 6 Maar hij ziet vooruit, en hij staat op het Woord; want het geloof is een vaste grond der dingen die men hoopt, en een bewijs der zaken die men niet ziet. 7 Hij weet niet hóe, en niet wannéér; maar hij weet Wíe: ik weet Wien ik geloofd heb, en Hij is machtig te bewaren wat ik Hem heb toevertrouwd. 8 En dit is de belofte waarop hij rust: Ik zal u de jaren teruggeven die de sprinkhaan heeft afgegeten; en Hij die een goed werk begon, zal het voleinden. 9 Daarom legt hij ook de toekomst neer in handen die dragen kunnen, en hij wacht, en hij hoopt; want mijn tijden zijn in uw hand. 10 God is goed.
Dit is opgeschreven om vast te leggen wat geschied is, en het is opgedragen aan God.